Olierekening slorpt alle Afrikaanse ontwikkelingshulp op

De landen uit de Sub-Sahara hebben het voorbije jaar 15,6 miljard dollar buitenlandse ontwikkelingshulp ontvangen. Dat was echter nog niet voldoende om de rekeningen voor de invoer van olie, die tijdens diezelfde periode opliepen tot 18 miljard dollar, te betalen. Dat is de conclusie van een rapport van het International Energy Agency (IEA). Er wordt aan toegevoegd dat de ontwikkeling van de arme Afrikaanse landen in praktijk tot een stilstand is gekomen, waarbij de stijgende olieprijzen een groot probleem vormen voor de nationale budgetten.

"De bevolking van arme landen worden door de oliesector twee keer getroffen," merkt Ruth Davis, beleidsadviseur bij de Britse divisie van milieuvereniging Greenpeace, op tegenover de krant The Guardian. "Deze bevolking wordt als eerste getroffen door de impact van de klimaatverandering, terwijl hun economieën worden verlamd door de stijgende kosten van de geïmporteerde petroleum." Fatih Birol, hoofdeconoom van het International Energy Agency, raadt ontwikkelingslanden dan ook aan om zoveel mogelijk gebruik te maken van duurzame energiebronnen.

"Groeimarkten hebben vaak nood aan gigantische energievoorraden om hun industrialisering te voeden," voert The Guardian aan. "Landen zoals China en India zijn inmiddels overgeschakeld op zware investeringen in windenergie en zonnekracht, maar de Afrikaanse landen hebben op het gebied van hernieuwbare bronnen nog altijd een grote achterstand. In die landen worden fossiele brandstoffen weliswaar vaak gesubsidieerd, maar het voordeel daarvan gaat onevenredig naar de rijkere bevolkingsklasse. Die subsidies zouden volgens Birol beter besteed worden aan onderwijs en gezondheid."

In het rapport van het Internationel Energy Agency wordt nog gewaarschuwd dat landen de volgende twee decennia 4.3 dollar zullen moeten besteden voor elke dollar die nu niet wordt geïnvesteerd in duurzame energie. (MH)