Skyfall-eiland behoort voortaan tot Unesco-werelderfgoed

De Unesco, de cultuurorganisatie van de Verenigde Naties, heeft het Japanse Hashima Island opgenomen in zijn nieuwe lijst met werelderfgoed. De keuze werd lange tijd door Zuid-Korea bekritiseerd, maar uiteindelijk werd dat protest ingetrokken omdat Japan zich akkoord verklaarde duidelijk aan te geven dat op de site grote groepen Zuid-Koreanen onderworpen werden aan dwangarbeid.


De sites vormen een onderdeel van een totaal van drieëntwintig nieuwe Unesco-locaties die moeten getuigen van de opkomst van Japan als industriële macht op het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw.


James Bond

Hashima Island was één van de meest vreemde steenkoolmijnen uit de geschiedenis. Het eiland bevindt zich ter hoogte van Nagasaki en de zuidkust van Zuid-Korea en werd in het laatste kwart van de negentiende eeuw als steenkoolmijn in gebruik genomen. Op zijn hoogtepunt zouden meer dan 5.300 vrouwen, kinderen en slaven in de mijn onder de zeebodem werken.


De slachtoffers woonden op het rotseiland in een soort appartementsblokken die geleken op de bovenbouw van een oorlogsschip. Daarom wordt het eiland ook wel 'Battleship Island' genoemd. In het midden van de jaren zeventig van  de voorbije eeuw werden de activiteiten op het eiland stopgezet.

Hashima Island is nu een populaire bestemming voor onderzoekers en liefhebbers van oude industriële sites. Het eiland stond ook model voor het fort van Raoul Silva, de tegenstander van spion James Bond in de film Skyfall. Tijdens het Japanse koloniale tijdperk werden vele Koreanen en Chinezen op het eiland tot dwangarbeid verplicht.


Erkenning


Ook op diverse andere Japanse sites op het Unesco-werelderfgoed - zoals de steenkoolmijn Miike, de staalfabriek Yawata en de scheepswerf Nagasaki - werd vaak van dwangarbeid gebruik gemaakt. Zuid-Korea maakte dan ook lange tijd bezwaar tegen de selectie.

Uiteindelijk kon toch een akkoord worden bereikt, nadat de regering van de Japanse premier Shinzo Abe zich bereid had verklaard om op de betrokken sites informatie over de dwangarbeid te verstrekken.


"Het is virtueel de eerste erkenning voor een internationaal orgaan dat Koreaanse onderdanen door Japan als dwangarbeiders werden gebruikt," benadrukte Yun Byung-Se, de Zuid-Koreaanse minister van buitenlandse zaken.


Zhang Xiuqin, de Chinese ambassadeur bij de Unesco, stelde echter dat Japan nog altijd niet op een gepaste manier de uitwassen van zijn koloniaal verleden erkent. Hij riep Japan dan ook op de nodige maatregelen te nemen zodat de volledige betekenis van elke nieuwe site in het Unesco-erfgoed duidelijk wordt. (mah)