De waarde van informatie

In 1864 - in volle Amerikaanse Burgeroorlog- meldde zich in het Pershuis van New York City een jonge boodschapper met een persbericht van de Associated Press. Daarin stond dat president Abraham Lincoln 400.000 bijkomende manschappen zou opvorderen om de Noordelijke staten -ook wel de ‘Union' genoemd- aan het front te versterken. Het bericht arriveerde op een delicaat moment: het was twee uur 's ochtends. De avondredacteurs waren al vertrokken, de weinige nog aanwezige verantwoordelijken durfden het niet aan om dit slechte nieuws -het Unieleger verkeerde blijkbaar in moeilijkheden, dus de prijs van het goud zou nu snel de hoogte ingaan- nog in de al drukklare krant mee te nemen. Toch hapten twee kranten toe, want de informatie leek van waarde. En dat was ze ook. Vooral voor de twee journalisten uit Brooklyn die het ganse verhaal hadden verzonnen. Die wisten maar al te goed hoe ze nepnieuws in de krant konden krijgen. En hoewel ze ruim op voorhand al goud hadden ingekocht werd het duo snel gevat.


Wat is de waarde van informatie? ‘Een krant is goed om de vis en de patattenschillen van morgen in te draaien,' zei ex-VRT-baas Tony Mary daar graag over. Maar op de DNA 2009 (Digital News Affairs)-conferentie die begin deze maand in Brussel werd georganiseerd ging men toch iets dieper op de materie in.


De media zijn getroebleerd en beleven hun scherpste crisis sinds het ontstaan van de drukkunst: adverteerders vertrekken naar internet, reclameverkopen lopen terug als gevolg van de recessie en het businessmodel op internet blijkt dodelijk. Als gevolg daarvan gooien kranten en magazines hun ‘te dure' journalisten massaal op straat , worden fotografen opgezegd en lijkt de kans dat er in 2015 nog drie kwaliteitskranten overblijven in Vlaanderen onbestaande. Want steeds meer kranten komen in moeilijkheden door de conflicterende modellen van print en internet. Zowel De Tijd (17%) als De Standaard (9%) halen slechts een fractie van hun inkomsten uit het web, ondanks dat ze maandelijks kunnen rekenen op respectievelijk meer dan 1 en 2 miljoen unieke bezoekers.


Begin december publiceerde de krant The New York Times een aantal interessante cijfers over de omzet die via internet wordt gegenereerd. Daaruit blijkt dat de internetadvertenties amper 22% van de operationele kosten dekken. Sterker nog, de 20,3 miljoen unieke bezoekers die de site van The New York Times maandelijks gebruiken genereren amper 1,22 dollar (€ 0,94) per maand/bezoeker; een fractie van wat een abonnee op de papieren krant opbrengt.


De laatste tijd wordt telkens opnieuw het iTunesmodel als voorbeeld aangehaald. Apple ontwikkelde jaren geleden een betaalmodel voor de door het internet op de knieën gedwongen muziekindustrie, waarbij mensen een klein bedrag betalen voor een song. Maar dat sommigen er nooit genoeg van krijgen om keer op keer hun lievelingsnummer te beluisteren, betekent nog niet dat ze bereid zijn te betalen voor een vluchtig actualiteitsitem. Laat staan dat ze vijfmaal hetzelfde nieuwsartikel willen lezen en het zullen stockeren om er morgen nog eens van te genieten.


Anderen geloven eerder in het ‘freemium' model, waarbij een boel informatie gratis wordt weggegeven met advertentieruimte en ‘in depth' content betalend wordt gemaakt. Maar de vraag welke inhoud waarde heeft en wat het publiek daarvoor zal willen betalen, blijft voorlopig onbeantwoord. Gaan kranten geld vragen voor wat vele lezers het meest interesseert: de opiniestukken die hen gratis worden aangeleverd? (The New York Times krijgt op weekbasis meer dan 1.000 gratis kwaliteitsopiniestukken aangeboden). Indien Nobelprijswinnaars, zakenlui, politici- en academici gratis schrijven, waarom zouden mensen dan nog geld betalen voor het werk van de doorsnee journalist?


Verder zijn de meeste krantenuitgevers entertainmentbedrijven geworden die elkaar beconcurreren in het fideliseren van hun lezerspubliek met infotainment ( waarbij de eerste 4 letters van deze combinatie steeds meer onrecht worden aangedaan), wedstrijden en spelletjes. Nieuws wordt op populaire nieuwssites niet enkel anekdotisch en emotioneel verpakt -  meestal gaat het ook helemaal nergens over -; nieuws  is ook een bijproduct geworden van de verkoop van flessen wijn of de laatste cd van Soulsister. Steeds meer inspanningen zijn nodig om de aandacht (-en is dat niet diens betaalmiddel?-) van de lezer te trekken, want het aanbod aan nieuws is gigantisch. Volgens Knack-directeur Rik Van Cauwelaert zal dit soort verkleuterd nieuws ook altijd gratis blijven: "Het model van de toekomst is kwaliteit en daarnaast heel veel gratis pulp". Maar schreeuwende koppen zijn nu ook een trend binnen de kwaliteitsmedia geworden. Deze neiging tot overdrijving berokkent de geloofwaardigheid van de traditionele kwaliteitskranten schade. Praktijken waarvoor ze vroeger op de tabloïds neerkeken, hanteren ze vandaag gretig zelf.  En wie wil daar nu plots voor gaan betalen?


De vraag wat we moeten betalen voor informatie is dan waarschijnlijk ook de verkeerde vraag. Misschien is de relevante vraag eerder waarom de papieren krant zo nodig in leven moet worden gehouden? Het gros van de omzet die een krant genereert gaat op aan papier (20%), inkt, drukproeven, distributiekosten (20%), opslagruimte, vrachtwagens, energie, drukpersen, gebouwen, technisch onderhoud... En wat hebben díe kosten met nieuws te maken? Mensen waren bereid voor een papieren krant te betalen omdat het een verplaatsbare drager van informatie was, die ze in bed, in bad, op de trein, op café of op het strand konden lezen, wanneer hen dat het beste uitkwam. Maar nu diezelfde informatie op eender welke plek en op eender welk tijdstip kan worden geraadpleegd via pc's of smartphones, zijn de fysieke krant en de bomen die ervoor moeten sneuvelen vollledig overbodig geworden (behalve misschien voor de mensen die -net als ik- geboren zijn voor 1984). Bewijs daarvan: in 2008 haalden voor het eerst meer mensen hun nieuws op internet dan in de dagbladen.


Dus eerder dan journalisten te ontslaan moeten uitgevers terug naar hun core business. De kracht van een krantenmaker zit niet in de gedrukte krant of in de vrachtwagens van zijn distributienetwerk, maar in het verzamelen, verwerken en bewerken van informatie. Dit betekent dat kranten alle opties moeten openhouden om weer een duurzame concurrentiepositie te krijgen. Het vergt misschien een kleine denkoefening, maar misschien moeten ze stilaan afscheid nemen van hun papieren medium dat al probleemloos is vervangen door het internet. Dat ze hun oor maar even te luisteren leggen bij de luchtvaartindustrie waar, ondanks het verdwijnen van het papieren vliegtuigticket, meer mensen dan ooit tevoren het vliegtuig nemen, want aan de kernactiviteit van het reizen veranderde fundamenteel niets: mensen stappen in het vliegtuig en stappen er een paar uur later op hun bestemming opnieuw uit. Dus zelfs als straks de papieren krant verdwijnt zullen journalisten nieuws blijven verzamelen, verwerken, bewerken en publiceren. En ze zullen ook steeds meer mensen blijven bereiken: sneller, makkelijker, goedkoper, efficiënter en met actueler nieuws dan ooit tevoren.


Kranten zullen verdwijnen, ik denk niet dat mijn kinderen nog kranten zullen lezen. Papieren kranten hebben geen toekomst; ze zijn minstens 18 uur te laat en laten inkt na op je vingers. Weekbladen krijgen het moeilijk, omdat ze vaak door de actualiteit worden ingehaald. Maandbladen blijven bestaan, omdat ze lange artikels kunnen brengen en vooral een visuele taak hebben te vervullen, met veel foto's en design. Boeken blijven sowieso bestaan omdat het emotionele producten zijn. Niemand leest Harry Potter op zijn computer uit,' zei Chris Anderson, de hoofdredacteur van Wired Magazine, daarover toen hij eind vorig jaar te gast was op het Creativity World Forum in de Antwerpse Lotto Arena. Anderson is auteur van de bestseller ‘The Long Tail' en brengt later dit jaar het gratis boek ‘Free' op de markt waarin hij uitlegt hoe bedrijven grof geld kunnen verdienen aan het gratis weggeven van producten.


En net zoals niemand zich vandaag nog de vraag stelt waarom onze steenkoolmijnen sloten, waarom de staalindustrie in ons land geen toekomst meer had en waarom de textielnijverheid in Vlaanderen nog slechts een schim is van de bloeiende industrie die ze in de tweede helft van de vorige eeuw was, zullen weinigen zich binnen 15 jaar nog afvragen waarom we geen massa's kranten meer hebben.