Joker

We are the 1%

‘Van alle sociale klassen praat men het liefst over de rijken, terwijl men er het minst van afweet’, John Kenneth Galbraith, econoom.

Toen het Amerikaanse technologiebedrijf Apple op 12 december 1980 naar de beurs trok, was stichter-CEO Steve Jobs diezelfde avond nog 256 miljoen dollar rijker. Samen met hem passeerden nog 300 andere Apple-werknemers langs de kassa. Allen zonder uitzondering werden dollarmiljonair. (Verwacht wordt dat de beursgang van Facebook in 2012 op één dag meer dan 1.000 dollarmiljonairs zal produceren.) De beursgang van Apple was de meest overingeschreven IPO sinds die van de Ford Motor Company in 1956. Jobs was in 1980 amper 25 jaar oud, maar hij wist ook toen al goed wat hij wilde en… vooral wat hij niet wilde:

‘Ik zag al die mensen bij Apple die plots veel geld hadden en vonden dat ze anders moesten gaan leven. Sommigen kochten een Rolls Royce en verschillende huizen, elk met een huismanager. Dan kwam er een manager die de huismanagers moest gaan managen. Hun vrouwen ondergingen plastische chirurgie en veranderden in bizarre wezens,’ aldus Jobs in het boek ‘Steve Jobs‘ van auteur Walter Isaacson. Het jonge techgenie beloofde zichzelf plechtig om zijn leven niet te laten ruïneren door geld.

Dat belette hem niet om bij zijn dood in oktober ll. een fortuin van 7 miljard dollar na te laten. De man die ons naast de iMac, ook de iPod, de iPhone en de iPad schonk, was daarmee de op 38 na rijkste man ter wereld en maakte deel uit van een elite van 1% Amerikanen die vandaag 34% van de Amerikaanse rijkdom bezitten.

Die toenemende inkomensongelijkheid zorgt voor onrust in het Amerikaanse straatbeeld. De Occupy-beweging heeft haar pijlen gericht op deze generatie nieuwe rijken die – sinds Ronald Reagan in 1981 de CEO van Merrill Lynch, Donald Regan,  tot minister van Financiën benoemde en daarmee de weg vrijmaakte voor de overname van de Amerikaanse economie door Wall Street – op ongewoon korte tijd een nooit geziene rijkdom wist te vergaren.

De cijfers zijn vaak hallucinant: tussen 1983 en 2004 groeide de Amerikaanse bevolking met 33%, maar het aantal dollarmiljonairs nam met 168% toe. Het aantal gezinnen dat 5 miljoen dollar bezit nam met 353% toe en de gezinnen met 10 miljoen dollar zelfs met meer dan 400%.

Steeds meer geld kwam dus terecht bij een steeds kleinere groep mensen, want is de strijd van de 99% gericht tegen de 1% dan is dat cijfer vooral symbolisch. De inkomensongelijkheid zit namelijk veel dieper. Zo bezit de top 5% van de Amerikaanse rijken – 6 miljoen gezinnen – samen 60% van de totale rijkdom van het land. Met andere woorden: die 5% bezit meer dan de overige 95% samen. En ook in deze materie bewijst Pareto zijn nut, want als we de piramide nog verder afdalen blijkt dat de top 20% zowat 80% van de totale Amerikaanse rijkdom in handen heeft.

Een evolutie die misschien nog het best wordt aangetoond door de bekende Forbes 400 Rich List, de lijst die Amerika’s 400 rijkste inwoners vertegenwoordigt of een luttele 0,0001% van de Amerikaanse bevolking. Wie bij de eerste publicatie van de lijst in 1982 deel wilde uitmaken van deze elite had aan een fortuin van 75 miljoen dollar genoeg voor een notering.  Amerika telde in dat jaar ook amper 13 miljardairs. Maar in 2007 was 1 miljard dollar ruim onvoldoende voor een notering, want wie nog net op plaats 400 stond, had toen al een vermogen van 1,3 miljard dollar opgebouwd. In 1982 vertegenwoordigde de gecombineerde rijkdom van Amerika’s 400 rijksten 3% van het bruto binnenlands product; vandaag is dat net geen 10%. Een verdrievoudiging van de fortuinen van deze haves, dus.

Warren Buffett en Bill Gates spelen op de lijst als een paar jaar haasje over, naargelang de prestatie van de aandelen van hun respectieve bedrijven, Berkshire Hathaway en Microsoft, op de beurs. Maar elk van beide bezit een fortuin dat het bbp van meer dan de helft van de landen in de wereld overschrijdt.

Hoe hard de 99% ook hun best doen, deze spiraal van nieuwe rijkdom doorbreken is haast onmogelijk. Het alombekende gezegd dat je ‘geld nodig hebt om geld te kunnen maken’ is vandaag niet langer op zijn plaats. De meeste mensen die de laatste Forbes List bevolken zijn selfmade men. Maar eens je een bepaald kapitaal bezit gaat het pas echt hard, aldus Po Bronsen in zijn boek ‘The First 20 Million is Always the Hardest’, waarin hij de intriges van het dotcomtijdperk beschrijft (‘tegen 1998 produceerde Silicon Valley gemiddeld 60 dollarmiljonairs per week’). Wie rijk is heeft het vandaag dus makkelijker om stinkend rijk te worden.

De reden daarvoor is gedeeltelijk terug te vinden in de explosie van de beurskoersen in de voorbije jaren. Stond de Amerikaanse beursindex Dow Jones in 1972 nog op 1.000 punten, dan deed hij er exact 11 jaar over om daar een luttele 100 punten aan toe te voegen. Maar dan ging de Dow in overdrive. Dertien jaar later, in december 1996, waarschuwde toenmalig Fed-voorzitter Alan Geenspan voor ‘de irrationele exuberantie’ van de aandelenbeurzen; de Dow sloot die maand af op 6.437 punten. Amper 10 jaar later, in oktober 2007 was de index alweer meer dan verdubbeld en doorbrak hij de grens van de 14.000 punten.

Zowat de helft van alle Amerikanen heeft aandelen en profiteerde van deze decennialange stierenmarkt (in 1983 waren er dat minder dan 20%), maar omdat de middenklassers veelal aandelen bezitten in pensioenfondsen en andere spaarbeleggingsproducten, die pas na ruime tijd verzilverd kunnen worden, hebben deze koersexplosies een minimaal impact op het dagdagelijkse leven van de doorsnee Amerikaan. Ook hier is het de Amerikaanse elite die onder het motto ‘Winner-takes-all’ met het gros van de winsten gaat lopen. De top 1% bezit een derde van alle Amerikaanse aandelen; de top 5% zelfs twee derde.

Deze groep is de kleine belegger dan ook altijd te snel af; Jan-met-de-onlinebeleggingsrekening heeft recht op wat kruimels, want de rijken hebben toegang tot waardevollere informatie, beter financiëel advies en investeringskansen die hogere opbrengsten genereren. Wanneer je miljoenen bezit om te investeren gaan andere deuren open dan wanneer je een paar duizend dollar vrij kan maken. En die financiële voordelen beperken zich niet tot de aandelenbeurzen. De elite maakt deel uit van sociale netwerken waarin alom nieuwe kansen worden geboden, of het nu om het financieren van start-ups, het oprichten van nieuwe bedrijven of het investeren in hefboomfondsen gaat. Met hetzelfde gemak als Steve Jobs mensen als Yoko Ono, acteur Tom Hanks of Oracle-CEO Larry Ellison (nr. 3 op de Forbes Rich List) belde, kreeg hij ook Bill Clinton en Barack Obama aan de telefoon, terwijl milieumiljardair Al Gore in de raad van bestuur van Apple zetelt, waarvoor hij de bagatel van 126.000 dollar per vergadering opstrijkt. 

Hoe langer iemand rijk is, hoe groter ook zijn fortuin wordt. Wie al 15 jaar deel uitmaakt van de 1%, bezit gemiddeld 75 miljoen dollar, terwijl wie minder dan vijf jaar lid is van deze club gemiddeld minder dan 10 miljoen dollar bezit. Met die rijkdom ontstond ook een eigen gezondheidszorgsysteem, een eigen reisnetwerk (met privé-jets ), een eigen economie, tot een eigen taal toe.  Ze huurden geen tuinarchitecten meer in, maar werkten met ‘persoonlijke arboristen’. en spraken zinnen als ‘Laat jouw landgoedmanager de mijne bellen’. ‘De Amerikaanse rijken hebben hun Richistan gecreëerd‘, schrijft de Amerikaanse journalist Robert Frank in zijn boek ‘Richistan, A Journey Through the American Wealth Boom and the Lives of the New Rich.’

Een eenvoudige conclusie dringt zich op: grote sommen geld, en de mensen die dat geld hebben gemaakt, oefenen een steeds grotere aantrekkingskracht uit op geld in het algemeen.

So far, so good, dus… Maar de medaille heeft ook een keerzijde. Twee economen van de Nortwestern University berekenden dat de top 1% de grote winnaars werden in zowat elke naoorloogse periode van hoogconjunctuur. Maar in periodes van laagconjunctuur daalde het inkomen van de top 1% meer dan dubbel zo veel als dat van de rest van het land. Want die rijken delen vandaag een kenmerk: hun rijkdom is in steeds grotere mate gelinkt aan de financiële markten, zij het door de beursgenoteerde bedrijven waarvan ze eigenaar of aandeelhouder zijn, zij het door de megalomane salarissen die ze door die bedrijven krijgen uitbetaald of door de aandelenopties die ze in die bedrijven bezitten (De topverdiener voor 2010 was John Hammergren van farmabedrijf McKesson, die 145 miljoen dollar verdiende, waarvan het gros via aandelenopties. Mocht McKesson alsnog worden verkocht dan heeft Hammergren zelfs recht op een bijkomende bonus van 469 miljoen dollar. CEO’s van Amerika’s grootste bedrijven verdienden in 1980 gemiddeld 42 keer zoveel als een gewone werknemer; in 2001 was dat al 531 keer.)

Deze cashfabrieken maken ondernemers en financiers dus onmetelijk rijk, maar wanneer de beurzen onderuit gaan, delen ze mee in de brokken. En dat heeft enorme gevolgen voor de economie in haar totaliteit, want Amerika is voor zijn belastingsinkomsten grotendeels afhankelijk geworden van deze nieuwe rijken. Zo betaalt de top 1% ruim 38% van de federale inkomensbelasting. In de staat New Jersey is dat 40% en in New York zelfs 42%. De onderste 40% van de Amerikaanse inkomenspiramide betaalt amper of helemaal geen belastingen. De Amerikaanse economie en bijgevolg ook de samenleving zijn dus in grote mate afhankelijk geworden van deze nieuwe elite, die op haar beurt afhankelijk is van de volatiliteit op de aandelenbeurzen.

Wat onvermijdelijk tot een rethorische vraag leidt: indien de overheid permanent afhankelijk is van de rijken en die rijken permanent afhankelijk zijn van onstabiele financiële markten, is er dan nog iets dat die overheid kan doen? Het antwoord op die vraag komt waarschijnlijk uit de staat Californië, de achtste economie ter wereld, die in oktober 2009 virtueel failliet ging.

Foto’s

1. Hearst Castle, een landhuis in San Simeon aan de kust van Californië, in 1919 gebouwd in opdracht van de Amerikaanse krantenmagnaat William Randolph Hearst. Het eigendom werd in 1957 aan de staat Californië geschonken. 5 leden van de Hearst-familie staan nog altijd in de Forbes Rich List, met elk een fortuin van 1,9 tot 2,2 miljard dollar.

2. Steve Jobs en Bill Gates, respectievelijk de nummers 39 en 1 op de Forbes Rich List 2011. (Foto credit)

3. Het zicht vanuit het appartement van Gideon Gartner in Manhattan, New York. Waarde: 29,5 miljoen dollar. Gartner is de stichter en CEO van het gelijknamige onderzoeksbureau Gartner Group.

Show More

Express wordt Business AM

Close
Close